21 september 2017

Keuzehulp grafische cursussen


keuzehulp grafische cursussen


Een kijkje in de keuken van grafische opleidingen in het volwassenenonderwijs

Als je van plan bent een kortdurende grafische pakketcursus te volgen, dan kun je terecht bij een scala van opleidingsinstituten met een divers aantal contacturen en prijzen variërend van 170,– tot 1630,– euro. Dit artikel kan je op weg helpen een gefundeerde keuze te maken.


In vogelvlucht
De grafische opleidingsinstituten kunnen grofweg worden verdeeld in de volgende categorieën:
- High-end instituten: de cursusduur voor een pakketcursus (zoals Adobe Photoshop of WordPress) varieert weliswaar, maar beslaat gewoonlijk 1 of 2 volledige lesdagen. Het aanbod aan (gespecialiseerde) grafische cursussen is groot. Voornaamste doelgroep: B2B.
- Mid- en low-end instituten waarbij het grafische cursusaanbod slechts een (klein) onderdeel is van het totale aanbod aan cursussen. Gespecialiseerde grafische cursussen worden niet gegeven. Pakketcursussen worden vaker verspreid over meerdere weken. Voornaamste doelgroep: individuele cursisten.
- Zelfstandig opererende docenten met een eigen vakexpertise en beperkt maar diep cursusaanbod, meestal met eigen lesmateriaal en cursusruimte aan huis of gehuurd. Doelgroep: B2B en individuele cursisten.

Onderaan dit artikel vind je een opsomming van een aantal grafische opleidingsinstituten.
Voor de goede orde: de reguliere, langdurige mbo- en hbo-grafische opleidingen bij grafische lycea, kunstacademies, hogescholen e.d. komen in dit artikel niet aan bod. Evenmin worden elearning-cursussen voor zelfstudie besproken.

klasgrootte


Klasgrootte
Een belangrijk criterium om mee rekening te houden bij de keuze voor een instituut is de klasgrootte. Gek genoeg wordt hier door de gemiddelde cursist zelden vooraf bij stilgestaan… wel achteraf, namelijk wanneer het gebrek aan individuele aandacht en de opzienbarende niveauverschillen tussen de cursisten ergernis en teleurstelling hebben opgeroepen!
Het aantal onderwerpen dat aan bod komt tijdens een cursus is o.a. afhankelijk van de niveauverschillen tussen de cursisten. Helaas worden deze verschillen in het volwassenenonderwijs zelden voorafgaand aan een cursus getoetst en gewoonlijk door het secretariaat, interne opleidingsadviseurs en zelfs door de docenten weggewoven. Vandaar dat je als cursist beter zelf kunt meewegen of je verwacht last te hebben van een te traag of juist te hoog lestempo. In beide gevallen kan een kleine klas of privéles uitkomst bieden.

Tip: vraag vooraf naar de maximale klasgrootte en dien een klacht in als het beloofde maximale aantal cursisten toch blijkt overschreden.


Lesvormen en -data
Grafische pakketcursussen (bijvoorbeeld in Photoshop of WordPress) zijn er grofweg in twee varianten. High-end instituten bieden meestal een- of tweedaagse cursussen aan, terwijl Mid- en Low-end instituten meestal meerweekse cursussen aanbieden, bijvoorbeeld Photoshop of WordPress gedurende 8 weken in blokken van 2,5 uur per week.
Het aantal lesuren voor een pakketcursus ligt meestal hoger bij de meerweekse cursussen, zeg 20 uur [8 x 2,5 uur] versus 13 uur [2 x 6,5 uur]. Maar een belangrijker verschil is het aandeel huiswerk en studie. Dat aandeel is voor meerweekse cursussen bijna altijd groter. Hieruit kan simpelweg de conclusie worden getrokken dat je meer tijd hebt om zelf aan de slag te gaan of de theorie te bestuderen.
Een waarschuwing over lesdata is hier op zijn plaats: door marketingoverwegingen gedreven, lijk je bij een groot aantal instituten te kunnen kiezen uit een overvloed aan data om de cursus te starten. Na een telefoontje zal echter meestal blijken dat je wordt verzocht te kiezen uit een andere datum of een andere locatie. Dit is tevens een indicatie dat de klasgrootte toeneemt. Overigens kun je gerust ook vermeldingen als ‘laagste prijs-garantie’, ‘bij ons geen verborgen kosten’ etc. als luchtfietserij aanmerken.

Tip: heb je veel tijd om te studeren en oefenen, kies dan voor een meerweekse cursus. Je eindniveau zal dan door zelfstudie en huiswerk hoger uitvallen dan bij een tweedaagse cursus.


(Eigen) lesmateriaal
Een goede indicator of je waar krijgt voor je geld, is het lesmateriaal. Bijna geen enkel instituut levert nog een gedrukt en volwaardig cursusboek mee, meestal wel handouts of PDF’s. Sommige bieden ook videomateriaal. Het is vaak lastig het cursusmateriaal vooraf in te zien om een beeld te vormen van de kwaliteit en de vorm ervan.
Alle instituten beweren eigen lesmateriaal te leveren, maar waar bestaat dat dan uit? Een paar digitale oefenbestanden (zonder uitgeschreven stap-voor-stap-oefeningen of theorie) kun je ook ‘eigen lesmateriaal’ noemen net als een uitdraai van de PowerPoint-sheets. Maar heb je daar na de cursus nog veel aan?
Ik ken ook gevallen waarin het cursusmateriaal bestond uit uitgedraaide helppagina’s van bijvoorbeeld de Adobe-website. Wie daarmee denkt de cursisten te dienen, zou geen cursus mogen aanbieden of voor de klas mogen staan.
Zelfstandige, gespecialiseerde docenten hebben regelmatig – wat lesmateriaal betreft – een streepje voor. Als het goed is, hebben zij geïnvesteerd in hun expertise en dus ook in het ontwikkelen van het betreffend lesmateriaal. Meestal hebben zij een boek gepubliceerd.

Tip: vraag welk boek voor de cursus wordt gebruikt of verzoek een paar pagina’s van het ‘eigen lesmateriaal’ toegestuurd te krijgen. Zijn er verder ook (tussentijdse) toetsen ingebouwd?


Drie docenttypen
Natuurlijk kun je docenten op talloze manieren indelen, maar voor de keuze van een grafische cursus c.q. docent kan de volgende indeling handig zijn:

- ‘De zij-instromer’. Hieronder vallen personen met een grafisch beroep (zoals vormgevers, webdesigners, illustratoren etc.) die het docentschap als bijverdienste hebben. Deze grote groep ‘uit de praktijk’ heeft gewoonlijk geen didactische aantekening en maakt soms gebruik van een standaard Adobe-cursusboek en dito oefenbestanden. Deze categorie staat gewoonlijk voor de klas in mid- en low-end instituten. De kennis en kwaliteiten verschillen enorm. In een enkel geval kun je als cursist het gevoel krijgen meer te weten over het cursusonderwerp dan de ‘docent’ zelf of afhaken op de manier van lesgeven.

- ‘De leraar’. Dit zijn docenten afkomstig van een lerarenopleiding. Deze groep is gewoonlijk voltijds aan een grafisch lyceum of kunstacademie verbonden. De nadruk ligt in dat geval op leerlingbegeleiding, waardoor didactiek gewaarborgd is maar de grafische expertise te wensen over kan laten. Maar van deze groep docenten zijn er enkele die ook elders (in het high-end segment) kortdurende grafische cursussen verzorgen. Je mag er dan gerust van uitgaan dat ook de grafische expertise ruimschoots aanwezig is. Het is een vrij goede garantie voor een geslaagde cursus. De docent is dan namelijk didactisch geschoold én expert op zijn vakgebied.

- ‘De eenpitter’. Denk aan vakauteurs, lesontwikkelaars en zelfstandig opererende docenten, ook in company. Onder deze groep is naar verwachting de meeste expertise te vinden. Ze onderscheiden zich vaak door een website geheel gewijd aan hun grafische expertise en het lesgeven in de high-end sector. De didactische kwaliteit is weliswaar niet vanzelf gegarandeerd, maar hun specialisme, ervaring en enthousiasme garanderen een doeltreffend antwoord op zelfs heel specifieke vragen. Velen zijn bijvoorbeeld Adobe-gecertificeerd en/of hebben een boek gepubliceerd. Ze werken gewoonlijke voor meerdere instituten in de high-end sector. Deze groep laat zich ook inhuren om bedrijfsprocessen te optimaliseren en voor in company-trainingen. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar de beste docenten vindt je bij high-end instituten.

Tip: vraag wie je docent zal zijn en zoek informatie over deze docent op internet. Heb je veel specifieke vragen over een deelgebied (bijvoorbeeld tabelstijlen in InDesign of parallax scrolling in WordPress-templates), maak dan een inschatting of deze docent je verder kan helpen of ga op zoek bij welk instituut een ‘eenpitter’ lesgeeft.

Wie betaalt? Jij of je baas?


Wie betaalt? Jij of je baas?
Deze vraag kan een factor zijn bij de beslissing welk instituut je kiest. High-end instituten zijn zonder uitzondering duurder dan mid- en low-end instituten, maar dan wordt je wel in de watten gelegd met een lunch en thee, koffie of fris naast je beeldscherm, notitieblok, 3 maanden support etc. De leslocaties en lesmiddelen zijn ook beter verzorgd. Denk aan hard- en software, beamer of tv-scherm, wifi, whiteboard, etc.
Houd er terdege rekening mee dat je bij mid- en low-end instituten zelf moet betalen voor koffie en thee, dat leslokalen te koud of warm kunnen zijn en dat de projector een slecht beeld kan leveren.


Conclusie
Als je goed bent geïnformeerd, voorkom je teleurstellingen. Maar goed geïnformeerd zijn, kost tijd. Om een overwogen keuze te kunnen maken, zal je je een beeld moeten vormen van het lesmateriaal, de vakkennis van de docent, de lesomgeving, klasgrootte, cursusduur en -tarieven. Er zijn geen kant-en-klare aanbevelingen te geven, maar de volgende scenario’s zijn zeker aannemelijk:
- ben je druk met je kantoorbaan, heb je weinig tijd om te oefenen of studeren en betaalt bovendien je baas, bekijk dan eerst het aanbod aan een- of tweedaagse cursussen bij high-end cursusinstituten.
- hoef je niet zo in de watten te worden gelegd, heb je voldoende tijd en animo om oefeningen te maken en theorie te bestuderen en betaal je de cursus zelf, bekijk dan eerst het aanbod van meerweekse cursussen van mid-end cursusinstituten. Houd er rekening mee dat de klasgrootte soms minder ruimte biedt voor individuele begeleiding.


Lijst met grafische cursusinstituten
Onderstaande lijst is zeker niet uitputtend. Als prijsindicatie zijn de tarieven vermeld voor een basiscursus Photoshop (d.d. september 2017). Kortingen e.d. zijn buiten beschouwing gelaten. De classificatie in high-, mid- en low-end is bewust achterwege gelaten omdat het altijd een enigszins subjectieve indeling oplevert. Bovendien betekent een hoger tarief niet automatisch een high-end instituut en omgekeerd. Het is aan de potentiële cursist om na te gaan in welk segment een instituut voor zijn/haar gevoel thuishoort. Onderstaande lijst is geordend op prijsniveau.


Noot: De auteur kent zeven van deze instituten uit eigen werkervaring en werkt op moment van schrijven parttime bij of voor drie ervan.

15 april 2017

Pandakoorts, ook voor mensen met een website

panda van site tinyjpg



Het NOS-journaal is er vol van: Wu Wen en Xing Ya. Wat een fantastische dieren, ik ben verkocht. Maar LinkedIn, 42Bis of Emerce is bedoeld om vakgenoten, connecties en klanten te informeren, dus wat hebben die panda’s daar mee te maken?

Als vakidioot moet ik bij die schattige dieren direct denken aan een website waar ik al jaren dankbaar gebruik van maak. En die voor iedereen met een website een geweldige gratis dienst levert. Het is tinyjpg. Deze webservice heeft een alom aanwezige panda als mascotte met een houding van ‘relax man’.

Eenvoud troef
De website is even relaxed: je uploadt afbeeldingen (jpeg’s en png’s) en downloadt een paar seconden later gratis de gecomprimeerde versies waarmee het laden van je webpagina aantoonbaar sneller gaat. Elke webdesigner weet dat afbeeldingen een essentiële factor zijn voor de laadtijd van een pagina (webbouwers: check de winst in Pageload- en YSlow-statistieken). Het is dan ook opvallend hoeveel sites zichzelf te kort doen.



Website check
Wil je weten of jij jouw website te kort doet? Check dan op deze pagina de winst die je kunt halen met tinyjpg. Dus ook als je een website hebt laten maken: check op deze pagina of je webdesigner bij de panda op consult moet.

optimale compressie
Als je denkt dat jouw beeldbewerkingsprogramma de beste compressie levert, dan… heb je het mis. Zelfs Photoshop kan niet tippen aan de optimale compressie die deze panda levert. En absoluut zonder verder kwaliteitsverlies. Bij png-bestanden zijn de winsten die je behaalt zelfs nog groter. Geen wonder dat deze panda ook een Photoshop- en WordPress-plugin in de aanbieding heeft.

Na het werk
Tot zover panda’s en werk. Zoals ik al zei: ik ben verkocht en daarom toch twee filmpjes voor al diegenen bij wie het woord ‘panda’s’ geen werkgerelateerde, maar eerder de normale associaties oproept.






3 april 2017

Wat wordt de toekomst van PDF?

Sinds 1993 is PDF (Portable Document Format) de onbetwiste standaard voor kantooromgeving en grafische wereld. Voor de normale Office-gebruiker is PDF nog steeds een makkelijk formaat om bestanden uit te wisselen met collega’s. Drukkerijen zijn ook nog steeds tevreden, al wordt het verhaal technischer met varianten als Certified PDF en PDF/X-4. Maar de laatste jaren groeit de kritiek en blijkt het formaat toch aan ouderdomsslijtage te lijden: animaties worden niet ondersteund en door het vaste paginaformaat botert het nog steeds niet tussen PDF en het web. Kortom: PDF kan niet op tegen het frisse en flexibele karakter van HTML5 in combinatie met CSS en javascript, zeg maar alles wat zo aantrekkelijk is aan websites. Het is dan ook opvallend dat de ‘PDF association’ spectaculaire PDF-ontwikkelingen heeft aangekondigd, ja zelfs een Hackaton!

Geen evolutie maar revolutie

Terwijl de evolutie gewoon doorgaat en binnenkort versie PDF 2.0 zal worden aangenomen, zijn de ontwikkelingen, waarover onderhand een polemiek is ontstaan, eerder van revolutionaire aard. Onder de codenaam ‘Camelot2’ lijkt het PDF-formaat een complete verbouwing te ondergaan die de kloof tussen analoog (lees papieren uitgaven) en digitaal (lees responsive pagina’s) moet gaan overbruggen. Als de geruchten waar zijn, zal er aardig wat veranderen voor vormgevers, webdesigners, webbouwers en ja, ook voor de normale Office-gebruikers.

Het probleem van PDF nu

PDF voldoet nog altijd uitstekend als het gaat om drukwerkvervaardiging of uitwisseling van digitale documenten. In het laatste geval heb je slechts Adobe Reader nodig. En er bestaat ook een ‘interactieve PDF’ waarin met knoppen, velden, audio en video multimediaal kan worden gestoeid. Een bekend voorbeeld is het PDF-formulier.

Maar heb je wel eens een A4-PDF op je mobiel proberen te lezen? Of een PDF naadloos proberen te plaatsen op een webpagina? Daar botsen de werelden, want lezing op een mobiele telefoon vraagt om een aangepaste opmaak van het document. Je kunt natuurlijk diverse pdf’s creëren, die samen alle apparaten en ook drukwerk bestrijken, maar daar wilden we vanwege het tijdsintensieve karakter juist vanaf. Browsers zijn sowieso niet ingericht om een PDF goed en snel weer te geven, al moet gezegd dat aparte browser-plugins voor PDF-weergave vaak niet meer nodig zijn.

Ook kun je animaties –zelfs in een interactieve PDF– wel vergeten, tenzij je paden als het betwiste Flash durft op te gaan. Kortom: PDF in de huidige vorm heeft zijn langste tijd gehad. Hier en daar hoor je zelfs het boude idee om niet alleen webpagina’s maar ook drukwerkbestanden in HTML5 aan te leveren… heavy stuff! Drukkers geen paniek!

Signalen van verandering

Waarschijnlijk het eerste signaal van verandering was de introductie van het bestandsformaat ePUB 3 (of FXL) in 2011. Dit formaat is op HTML gebaseerd maar zorgt voor een vaste layout (FiXed Layout). En dat er al een tijdje aan bruggen wordt gebouwd tussen HTML en de drukkerswereld, is af te leiden uit plugins en apps van bedrijven als iText, Datalogics en Callas. Voorbeelden zijn pdfGoHTML en pdfChip. De laatste converteert HTML (met inbegrip van CSS en Javascript!) naar PDF. Heel interessant bij deze conversie is dat pdfChip de HTML-code eerst uitbreidt met drukwerkinstellingen voor o.a. CMYK, steunkleuren, barcodes, overdruk en paginering! Wie had 10 jaar geleden kunnen bedenken dat HTML hiermee kon of zou worden uitgebreid? Maar hoewel dit zonder meer veelbelovende stappen in de goede richting zijn, is bij deze voorbeelden nog absoluut geen sprake van een universeel bestandsformaat dat zowel vaste als vloeiende vormgeving bevat voor resp. drukwerk en webpagina’s. 


De omzetting van HTML, CSS en javascript naar een PDF-bestand via pdfChip

Uitbreiding van HTML met aan drukwerk gerelateerde code

Is Camelot2 de heilige graal?


Het ultieme, universele bestandsformaat is er een die:
  1. zowel vectoren als pixels ondersteunt;
  2. alle vormen van audio, video, animatie en interactiviteit ondersteunt;
  3. zowel een vaste als vloeiende layout in zich herbergt;
  4. zowel voor het web als voor drukwerk de standaard vormt.
Is zo’n bestandsformaat überhaupt mogelijk? De meningen in het vakgebied zijn verdeeld. Er is (nog) geen principiële reden gevonden waarom het niet zou kunnen. Ook zijn de afgelopen twee decennia op de eerste drie punten afzonderlijk grote vorderingen gemaakt. Maar de huidige stand van zaken is simpelweg dat geen van de bekende formaten ook maar enigszins in de buurt komt van dit gedroomde formaat.

Peter Villevoye, autoriteit op het gebied van print- en webapplicaties, vergelijkt de zoektocht naar dit universele, alomvattende bestandsformaat met die naar de heilige graal. Volgens hem boden eerdere pogingen (bijvoorbeeld gestructureerde content met PDF tags) evenmin voldoende soelaas. Hij benadrukt o.a. het essentiële verschil tussen vaste en vloeiende (responsive) layout en is sceptisch over een eventueel huwelijk tussen beide. Niettemin een huwelijk dat door de ‘PDF association’ volgens anderen voorzichtig is aangekondigd. Het is nog te vroeg voor een heldere blik op wat komen gaat. Zal PDF ook HTML-code gaan bevatten? En kan die in Acrobat Reader al dan niet vloeiend worden weergegeven? Of nog wilder: zal de grondslag van PDF (nu nog Postscript) op termijn geheel worden vervangen door HTML? Het blijft voorlopig koffiedik kijken. Maar wat lang bespottelijk leek, is op zijn minst denkbaar geworden, namelijk dat HTML ook de voertaal binnen drukkerijen kan worden. Dit lijkt mij persoonlijk een scenario waarmee terdege rekening dient te worden gehouden. De grafische en typografische uitbreidingen van HTML komen namelijk geleidelijk in de buurt van wat ooit aan PDF was voorbehouden.

Alle oren zijn nu gericht op de PDF-dagen van de ‘PDF association’ op 15 mei a.s. te Berlijn om te horen wat zij zelf onder ‘spectaculaire’ PDF-ontwikkelingen verstaan.

22 maart 2017

WordPress versus Adobe Muse

Een wereld van verschil of toch niet? 

WordPress is het meestgebruikte Content Management Systeem (CMS) en wordt gewoonlijk vergeleken met andere CMS’en als Joomla of Drupal. De gebruikers van deze systemen maken heel vaak gebruik van kant-en-klaar vormgegeven templates die worden ingevuld met eigen content. Voeg er nog een paar plugins aan toe en klaar is kees. Of toch niet helemaal? Wat heeft een programma als Adobe Muse te bieden en met welk systeem kan de klant zijn site het makkelijkst zelf onderhouden? Laten we de voor- en nadelen van deze systemen eens naast elkaar leggen.

Deze blog is gelijktijdig gepubliceerd op Emerce, tijdschrift en weblog voor e-commerce en technische ontwikkelingen.



WIE BOUWT ER EEN WORDPRESS-SITE?
Als we even afzien van de puristen die zweren bij handmatig programmeren van elke nieuwe site, is de gemiddelde bouwer van WordPress-sites een technisch onderlegde persoon met enige kennis van en affiniteit met HTML, CSS en wellicht javascript. Hij of zij kan in principe zelf de code schrijven, maar wil het wiel niet iedere keer opnieuw uitvinden en maakt handig gebruik van alle templates en plugins die WordPress biedt. Hij shopt in de WordPress-winkel naar de gewenste vormgeving en alle benodigde functionaliteit, maar vertrouwt nog wel op zijn programmeurskennis, want het aanbod is natuurlijk nooit exact zoals gewenst. En als het ingewikkeld wordt, zal deze bouwer toch zelf een plugin moeten schrijven of expertise moeten inhuren.


De wysiwyg-omgeving van WordPress houdt niet over
De wysiwig-omgeving in WordPress houdt niet over.


DE WORDPRESS-KLANT
Een middelgrote klant heeft een webredacteur en -beheerder in dienst die de website up-to-date houden. Maar de kleine zelfstandige die zijn WordPress-pagina’s of -blog zelf wil onderhouden, zal zich enigszins moeten verdiepen in het systeem (zoals in elk CMS-systeem) en een klein beetje HTML-kennis kan daarbij geen kwaad, want de content-editor van WordPress houdt niet over. Deze kleine klant zal teksten aanpassen en een afbeelding plaatsen. Veel verder zal hij niet gaan, want de afbeeldingsgrootte en tekstomloop rond een afbeelding leveren al voldoende gehannes op. 


WIE BOUWT ER EEN MUSE-SITE?
Dit zijn vormgevers die bekend zijn met Adobe producten als Photoshop, Illustrator en InDesign. Het is maar een vrij kleine stap om dan ook websites te gaan vormgeven en de code te laten genereren door Muse. Deze vormgevers hebben weinig affiniteit met HTML, CMS en javascript en houden van wysiwyg. Ze werken op een reclamebureau en de opdrachten voor webdesign zijn eerder bijkomend dan hoofdzaak. Ze maken liever zelf vormgevingstemplates dan dat ze die zouden kopen. Als het ingewikkeld wordt, maken ook zij gebruik van plugins, maar in Muse heten die widgets, al blijft het gebruiksgemak voorop staan. Voor echt grote projecten komt Adobe Business Catalyst om de hoek kijken, maar deze uitbreiding van functionaliteit begint op een echt CMS te lijken. 


Tekst en afbeeldingen kunnen in de Browser worden aangepast.
Tekst en afbeeldingen kunnen in de Browser worden aangepast.


DE MUSE-KLANT
Een gemiddelde Muse-klant leidt een midden- en kleinbedrijf of is zelfstandig. Hij of zij heeft een ijssalon of een kleine schoenenzaak, is fotograaf of artiest en wil zijn diensten kenbaar maken via een gelikte website. Erg handig is de mogelijkheid om zelf teksten en afbeeldingen in de eigen browser aan te passen, maar meer kan er niet! Veel kennis is niet nodig en HTML, CSS en javascript al helemaal niet. 

VOOR- EN NADELEN
Laten we Muse en WordPress vergelijken op het gebied van organisatie (rollen en permissies), flexibiliteit en efficiency om inhoud en vormgeving aan te passen, uitbreiding van functionaliteit en SEO. 

Organisatie (rollen en permissies)
Dit is van cruciaal belang bij grotere organisaties en verenigingen. Het spreekt voor zich dat dit in WordPress goed kan worden geregeld. Muse zelf is hierin uiterst rudimentair: er zijn maar twee rollen: de ‘maker’ van de website en de ‘klant’ die toestemming krijgt om in de browser wijzigingen in tekst en beeld aan te brengen. Dit is weliswaar te ondervangen met Business Catalyst, maar dat verdient een eigen vergelijking met WordPress en staat min of meer los van Muse. Het moge duidelijk zijn dat Muse alleen het niet redt in een organisatie-omgeving waarbij diverse rollen en permissies van cruciaal belang zijn.

Flexibiliteit en efficiency (aanpassing inhoud)
Vanwege de wysiwyg- en in-browser-omgeving is Muse op dit punt efficiënter dan WordPress. Natuurlijk kun je ook vrij gemakkelijk een tekst aanpassen in WordPress, maar als je daarin heel netjes afbeeldingen wilt opnemen, ben je al wat langer bezig. In Muse gaat dit allemaal heel intuïtief. Voor een eindklant, die nieuwe inhoud wil creëren op een nieuwe pagina is Muse echter minder efficiënt. Hij kan weliswaar teksten en afbeeldingen op bestaande pagina’s gemakkelijk via zijn browser vervangen, maar niet zomaar nieuwe content op nieuwe pagina’s aanmaken. Die pagina’s moet de vormgever eerst voor hem aanmaken. Om nieuwe pagina’s aan te maken, is de WordPress-klant dus in het voordeel. 

Flexibiliteit en efficiency (aanpassing vormgeving)
Omdat Muse is ingericht op vormgevers, wint Muse het volledig in dit opzicht. De look & feel van elke pagina kan geheel naar eigen wens worden bepaald en tevens snel en flexibel worden gewijzigd. Zo kan ook een kleuraanpassing gemakkelijk op de hele site worden doorgevoerd of een logo eenvoudig op alle pagina’s worden geplaatst. One-page-design en parallax scrolling lijken wel voor Muse gemaakt! In WordPress is het niet meer dan behelpen.

Uitbreiding van functionaliteit
Wie zou tegen de rijkdom van WordPress-plugins op kunnen? De vraag stellen is hem beantwoorden. Toch wil ik hier een kanttekening plaatsen. Muse heeft een zodanig marktaandeel in webdesign verworven dat het aantal plugins (widgets genaamd) meer dan voldoende is om uit te kiezen. Sterker nog: deze uitbreidingen zijn vaak gelikter en eenvoudiger in te stellen dan in WordPress. Denk aan responsive menu’s, Google Maps, social media-knoppen, polls, slideshows etc. Maar als u heel specifieke uitbreidingen wenst (specifieke database- en spreadsheetkoppelingen etc.) dan zult u gebruik moeten maken van Business Catalyst of waarschijnlijk alsnog moeten overstappen naar WordPress.

SEO
Er was en is nog steeds discussie over de mogelijkheden van SEO binnen Muse. Hoewel Google Analytics en Tag Manager eenvoudig kunnen worden geïntegreerd, zijn plugins als Yoast voor WordPress (nog) niet beschikbaar voor Muse. Dat gezegd hebbende, zijn er een paar lichte widgets verkrijgbaar voor Muse om de lacune op te vullen. Maar het is aannemelijk dat je een WordPress-site iets beter kunt afstemmen op het gebied van SEO.


CONCLUSIE
WordPress en Muse zijn gebouwd vanuit twee verschillende disciplines en voor twee verschillende websitebouwers: de oorspronkelijke HTML-programmeurs versus de oorspronkelijke drukwerk-vormgevers. Dat beide type bouwers fraaie en functionele websites kunnen maken, mag duidelijk zijn. Maar de voor- en nadelen van beide systemen hangen wel nog steeds samen met de oorspronkelijke disciplines. In WordPress is het ondanks alle templates en moderne content-editors nog steeds lastig je eigen vormgevingsideeën eenvoudig door te voeren, terwijl Muse voor websites van grotere organisaties nauwelijks een optie is vanwege het gebrek aan bijvoorbeeld organisatie-middelen en database-koppelingen. Muse verdient de voorkeur als je als vormgever een grafisch gelikte, compacte site wilt bouwen, terwijl WordPress eerder in aanmerking komt als zowel auteurs en redacteuren als webmasters aan gestructureerde content moeten werken of als heel specifieke functionaliteit is gevraagd.

Keuzehulp grafische cursussen

Een kijkje in de keuken van grafische opleidingen in het volwassenenonderwijs Als je van plan bent een kortdurende grafische pak...